Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

V.2.2.1. Het dievenmotief

Als eerste echte motief, met een zich ontwikkelende lijn, dat onderzocht wordt op innerlijke samengang, dan wel mogelijke innerlijke tegenspraak in de versies, nemen we het motief van de dieverij. Het moge duidelijk geworden zijn, dat de meeste dieren, die jegens Reynaert iets te klagen hebben, dit doen omdat ze een aframmeling gekregen hebben door Reynaerts tussenkomst bij inbraak of diefstal. De meeste verhalen over Ysegrim - verteld door Reynaert - handelen erover, dat Ysegrim uit stelen gaat en daarbij (terecht) bestraft wordt. Als Reynaert met Ysegrim samen uit stelen gaat, is het steevast Ysegrim, die met de buit gaat strijken. Waardoor Reynaerts aandeel in de diefstal als het ware opgelost is. Maar ook andere dieren dan Ysegrim moeten het vaak ontgelden, als ze op het dievenpad gaan.

   Bruun verliest volgens hs. B796 zijn oren in de tuin van Lantfreit, volgens de hss. A745 en F731 echter slechts "Eene oere"525, waardoor hij de uiterlijke kenmerken van een veroordeelde dief draagt. En dat nadat Reynaert Bruun nog zo gewaarschuwd heeft volgens A666-667 en F652-653:

     Hetet te zeden ende te maten

     Dat ghi hu seluen niet verderuet

en B717-718:

     Neemter vmmer niet bouen maten

     So dattet uwen liue yet deert.

   In het vervolg van het verhaal in (vooral) hs. B wordt dit aspect van het verliezen van Bruuns oren herhaaldelijk benadrukt, al wordt er meteen na melding van het voorval - en ook later in B907 - een fout gemaakt als gezegd wordt:

     Dat bloet hem ouer die oren ran (B798),

waar A756 en F742 hebben:

     Dat bloet liep hem ouer die hoghen526.

Of probeert de kopiist van hs. B hiermee te benadrukken dat Bruun juist geen oren meer heeft en dat het bloed nu over de wonden stroomt?

   Als de dorpelingen Bruun in de rivier zien vluchten, roepen ze hem in hs. B888 na:

     Coomt heer keer weder oorloos dieff.

In de hss. A849 en F833 staat slechts dat ze boos waren,

     Ende ghinghen na hem rampineren.

   In B963 wordt Bruun door Reynaert nog eens onder de neus gewreven, dat hij een dief is, als die het tegen hem heeft over Lantfreit

     Sijn honich roten die gi hem staelt.

En dit in combinatie met B971-972:

     Hi heeft al na uwen oren gehapt

     Die v die crune heeft gescoren!

De hss. A946-947 en F930-931 hebben hier weliswaar ook:

     Hi ghinc hu arde na den hore527

     Die hu dese crune heuet bescoren,

maar hier ontbreekt de directe verwijzing naar, en dus het direct gelegde verband met de diefstal.

   Bruun gaat dan - hoe moeilijk dat ook is - op weg naar het hof.

     HOe sal nu brune te houe comen,

lezen we in de hss. A961 en F947, want hij

     Van tween voeten hadde verloren

     Alle die claeuwen ende dat vel

     Hine conste niet ghepeinsen wel

     Hoe hi best ten coninc gaet (A966-969 en F952-955).

In hs. B985 lezen we eveneens:

     Nv ist hem zeer zorchelic bewant

     Hoe hi te houe comen sal,

doch hier zijn zijn zorgen blijkbaar niet uitsluitend ingegeven door de slechte toestand van zijn voeten. Als reden wordt hier gegeven:

     Want hi had verloren al

     Dat vel van beiden voeten voren

     Ende die claeuwen ende die oren (B987-989).

   Als Bruun zich dan tegenover Nobel moet verantwoorden, lezen we in A992-997 en F978-983:

     Wreket mi dor hu selues eere

     Ouer reynaerde dat felle diet

     Die mi mine scone lier

     Mit ziere lust verliesen dede

     Ende daer toe mine hoeren mede

     Ende heuet mi ghemaect als ghi siet,

waarbij het verlies van zijn oren als een bijkomstigheid vermeld wordt. In hs. B1014-1018 probeert Bruun de schuld van dit verlies duidelijk bij Reynaert te leggen:

     En bid v dat gi my wreech hier

     Ouer reynaert dat felle dier

     Die my beide mij beide mijn voeten voren

     Ende mijn wangen ende mijn oren

     Verliesen dede bi synen rade.

   Het verlies van Bruuns oren is belangrijk in het dievenmotief. Door hs. B wordt er sterker de nadruk op gelegd, dat Bruun zelf schuld is aan zijn mishandeling, doordat hij zelf uit stelen gegaan is.

 

Bruun verliest naast zijn oren zijn hoofdhuid. Als Reynaert hem bij de rivier weervindt, bespot hij hem door te vragen in welke orde Bruun wil gaan, aangezien hem de kruin geschoren is (A943-951, F927-935 en B968-976), maar essentieel voor dit motief is de passage die in hs. B960-964 voor vermelde vraag staat en in de hss. A en F ontbreekt. Reynaert zegt hier:

     Hebdi tot lantfreits yet vergeten

     Jc wilt hem gern laten weten

     Heb di hem oec niet wel betaelt

     Sijn honich roten die gi hem staelt

     Dat is v een lelike saeck.

Hiermee wordt Bruuns vermeende toetreding tot een kloosterorde extra gemotiveerd, omdat het rechtstreeks in verband gebracht wordt met de diefstal. Het middeleeuwse klooster was immers een gebruikelijke en goede vluchtplaats voor dieven.

 

Ook Tybeert blijkt later niet wars van een inbraak te zijn als het om eten gaat. In hs. B1208 probeert Reynaert hem er zelfs nog af te houden, maar nee hoor, Tybeert zet door! Martinet herkent in hem in A1231, F1217 en B1252 meteen "Den hoenre dief". En net zoals Bruun wordt Tybeert lichamelijk gestraft. En terecht! Want men herinnere zich de woorden van Grimbeert ten aanzien van Cortoys in B279-281, die aangeven dat Reynaert in zijn recht staat als hij ervoor zorgt dat inbrekers en dieven bestraft worden:

     Al had hi al cortoys gehangen

     Doe hi hem myt diefte had beuangen

     Hi en had daer niet veel aen mysdaen.

Bruun moest zijn oren missen, Tybeert een oog. Het verlies van dat oog wordt in elk handschrift beschreven, doch alleen in hs. B1343 wordt de uitspraak gebezigd:

     Dat tybart berecht quam also.

Hiermee wordt er extra de nadruk op gelegd, dat Tybeert als een dief voor Nobel verschijnt528 ook al dreigt de laatste meteen daarop "den dief reynaert" (A1327, F1315 en B1345). Heeft dit betrekking op andere (vermeende) diefstallen of geeft Nobel hiermee aan, dat Reynaert moreel schuldig is?

   In ieder geval is Tybeert deerlijk gehavend. Zo erg zelfs, dat in Tybeerts gebrekkige gezichtsvermogen wellicht een reden - buiten die reeds in II.2. Tybeerts angst voor het hof vermelde - gezien mag worden voor zijn achterblijven op of bij de galg als Ysegrim en Bruun zich naar het hof spoeden nadat Tieceline hen omtrent Reynaerts openbare biecht ingelicht heeft. Reynaert geeft hem in B1976-1977 niet voor niets de raad dicht bij Bruun te blijven als ze de galg in gereedheid gaan maken!529 Wellicht wordt deze handicap eerder reeds tot uitdrukking gebracht in de tijd die Tybeert nodig heeft om vanuit "des papen scuere" naar het hof te komen. Het is avond als Tybeert in A1067-1068, F1054-1055 en B1091-1092 bij Reynaert komt:

     Tybeert sprac god die rike

     Moete hu goeden auont gheuen.

De maan schijnt (A1099, F1086 en B1121) en de "pape", zijn vrouw en de kinderen slapen (A1227-1236, F1213-1222 en B1248-1257). Het is echter reeds dag als Tybeert bij Nobels hof terugkeert:

     Ende die zonne begonste rijsen (A1319, F1307 en B1334),

terwijl in hs. B1087 over de heenweg gezegd wordt:

     Den wech en was hem niet een caff,

volgens Verdams Middelnederlandsch handwoordenboek betekenend: "niet het minste, niets hoegenaamd". Maar de heenweg liep Tybeert dan ook op een drafje (B1086). Van de "pape" wordt ondubbelzinnig gezegd, dat hij dichtbij Reynaerts verblijfplaats woont (A1122, F1110 en B1145).

 

Vorig hoofdstuk: V De consistentie in enkele verhaalmotievenVolgend hoofdstuk: V Het eetmotief